Conceptvoorstel

Hoofdstuk 1: Rechten. Artikel 1 geeft aan iedereen het recht tot toegang tot publieke informatie. In de rest van de wet wordt dit recht verder uitgewerkt, maar het is belangrijk om aan te geven dat openbaarheid een recht van de burger is, niet een gunst van de overheid. In veel andere landen is dit recht al vastgelegd in de grondwet, in Nederland niet. Iedereen die een verzoek doet om informatie moet gelijk behandeld worden. Je hoeft geen speciaal belang te hebben bij de informatie die je verzoekt. Dit staat ook al in de huidige Wob en garandeert dat iedereen op gelijke voet toegang heeft tot overheidsinformatie. Natuurlijk zijn er naast deze Nieuwe Wob nog andere wetten die bepalen hoe de overheid om moet gaan met informatie, zoals de de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Archiefwet. Andere wetten mogen alleen afwijken van deze wet als ze in bijlage 2 genoemd worden. Hierdoor is altijd duidelijk welk openbaarheidsregime geldt.

Hoofdstuk 2: Algemene bepalingen. In dit hoofdstuk staan definities en algemene bepalingen . De definities geven aan wat sommige woorden die in de rest van de wet gebruikt worden precies betekenen. Zo wordt bepaald wat in deze wet wordt bedoeld met ‘document’ (alles waarop informatie staat!). Artikel 2.2 geeft aan voor wie de Nieuwe Wob precies gaat gelden. In de eerste plaats de hele overheid. Alle informatie die berust bij instellingen, diensten en organen van de overheid valt dus onder de Nieuwe Wob. Zo gaan ook de Eerste en Tweede Kamer onder de Nieuwe Wob vallen (individuele Kamerleden zijn door de Grondwet beschermd en vallen er niet onder). Daarnaast gaan ook een heleboel andere bedrijven en instellingen die behoren tot de ‘semi-publieke’ sector onder de Nieuwe Wob vallen. Dit zijn bijvoorbeeld woningcorporaties en organisaties die veel subsidie ontvangen. Al deze organisaties en overheden aangeduid worden in deze wet aangeduid als ‘orgaan’.

Hoofdstuk 3: Openbaarmaking uit eigen beweging. Er zijn twee manieren waarop informatie openbaar kan worden. Op eigen initiatief door het orgaan en op verzoek. Hoofdstuk 3 regelt de openbaarmaking door het orgaan op eigen initiatief. Dit is een belangrijk onderdeel van de Nieuwe Wob omdat op deze manier de meeste burgers bereikt worden en informatie snel beschikbaar komt. Onder de Nieuwe Wob moet alle informatie in ieder geval online beschikbaar komen. Artikel 3.2 bepaald dat organen een register moeten bijhouden van documenten die zij hebben, zodat het duidelijk wordt welke documenten de overheid allemaal heeft. Nu hebben maar weinig overheden zo’n register en is het als burger soms lastig om te weten waar je naar op zoek bent. Een register kan daarbij helpen. Daarnaast moeten organen bepaalde soorten informatie sowieso openbaar maken. Adviezen, rapporten, besluiten over hoge uitgaven moet door organen zelf meteen online worden gezet.

Hoofdstuk 4: Openbaarmaking op verzoek. Iedereen kan een orgaan vragen om informatie openbaar te maken. Daarbij hoef je niet aan te geven waarom je de informatie wilt of wat je met de informatie gaat doen. Een orgaan mag dus geen verschil maken tussen bijvoorbeeld een journalist en een gewone burger. Een verzoek kan op allerlei manieren worden ingediend: mondeling, telefonisch, per post of via internet. Als je een verzoek via internet wil indienen, moet je dat wel op de manier doen die het orgaan daarvoor heeft aangegeven. In hoofdstuk 8 is geregeld dat verzoeken om informatie gratis zijn. Als je papieren kopie’tjes wilt, betaal je daar wel voor. Onder de huidige Wob is het onduidelijk of kosten in rekening gebracht mogen worden. Daarover is nu een proces aangespannen bij de Hoge Raad. Om de onduidelijkheid weg te nemen, is openbaarmaking onder de Nieuwe Wob sowieso kosteloos. Het orgaan heeft twee weken om op het verzoek te reageren. Die termijn kan met twee weken worden verlengd als het gaat om een verzoek om heel veel informatie of wanneer het lastig is om te bepalen of een uitzonderingsgrond van toepassing is. Het orgaan kan beslissen om de informatie meteen te verstrekken, de informatie (gedeeltelijk) te weigeren of de informatie pas over twee weken te verstrekken. Dat laatste geeft anderen de mogelijkheid in beroep te gaan tegen openbaarmaking. Als het orgaan weigert (een deel van) de verzochte informatie openbaar te maken, kan je tegen die beslissing in beroep bij de Informatiecommissaris (zie hoofdstuk 7). Als een orgaan vindt dat iemand misbruik maakt van zijn recht op informatie kan het de Informatiecommissaris vragen of het verzoek daarom mag worden geweigerd. Dat iemand misbruik maakt van zijn recht, mag niet snel worden aangenomen.

Hoofdstuk 5: Uitzonderingen. Natuurlijk hoeft niet alle informatie openbaar te worden. Er zijn goede redenen voor organen om te weigeren bepaalde informatie te openbaren. Die redenen staan limitatief opgesomd in artikel 5, een orgaan mag dus niet zelf zomaar een reden bedenken om informatie niet openbaar te maken. Ook mag een orgaan niet een heel document weigeren te verstrekken als een uitzonderingsgrond van toepassing op één alinea. Het orgaan moet dan de rest wel verstrekken. De belangen die openbaarheid mogen beperken komen voor een deel overeen met de huidige Wob en zijn in overeenstemming met internationale verdragen (zie het Aarhus verdrag en het verdrag van Tromsö onder ‘meer informatie’). Belangrijke redenen om informatie niet openbaar te maken zijn natuurlijk veiligheid, privacy en zwaarwegende economische belangen. Verder moet het voor ambtenaren mogelijk zijn om onderling van gedachten te wisselen, zonder dat alles meteen openbaar wordt. In tegenstelling tot de huidige Wob vallen echter alternatieven voor beleid en inschattingen over risico’s niet onder deze uitzonderingsgrond.

Hoofdstuk 6: Hergebruik. Dit hoofdstuk gaat over hergebruik van informatie door burgers en bedrijven.

Hoofdstuk 7: De Informatiecommissaris. De positie van de informatiecommissaris komt in hoofdstuk 7 aan bod. De functie van Informatiecommissaris wordt ingesteld om burgers en organen te helpen bij de toepassing van deze wet. De informatiecommissaris kan adviseren in individuele gevallen en algemene richtsnoeren per sector opstellen. De adviestaak wordt aangevuld met de bevoegdheid om te besluiten in administratief beroep, ingesteld tegen een besluit van een orgaan. De Tweede Kamer benoemt de Informatiecommissaris, gelijk aan de procedure voor de benoeming van de Nationale Ombudsman.

Hoofdstuk 8: Overige bepalingen. Dit hoofdstuk bevat overige bepalingen over de toepassing van de wet. Afwijking van regels uit deze wet mag alleen bij wet en alleen als die wet in bijlage 2 is opgenomen. Openbaarmaking is kosteloos en alleen de kosten voor gemaakte kopieën mogen in rekening gebracht worden. Bijlage 1 betreffende de semi-publieke sector op wie deze wet van toepassing is, kan bij algemene maatregel van bestuur worden aangevuld.

Hoofdstuk 9: Wijzigingen van enige wetten. Dit hoofdstuk gewijzigd andere wetten. De Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale Ombudsman omvat ook de Informatiecommissaris. In het Wetboek van Strafrecht wordt een strafbepaling opgenomen waardoor het strafbaar wordt voor ambtenaren of anderen in openbare dienst om documenten opzettelijk te onttrekken aan deze wet of een bijzondere wettelijke regeling betreffende openbaarmaking. De Wet op de Raad van State wordt gewijzigd om adviezen van de Raad van State over wetsvoorstellen van de regering eerder te kunnen openbaren.

Hoofdstuk 10: Slotbepalingen. Hier zijn slotbepalingen betreffende de citeertitel, de inwerkingtreding en intrekking van de Wob neergelegd. Artikel 3.2 betreffende het register treedt 5 jaar na de inwerkingtreding van deze wet in werking.